De Nieuwe Ooster is zo’n vijftig voetbalvelden groot, maar opzichter Kees Meilink (60) kan er blindelings de weg vinden. Elk pad, elke bocht en elk graf op de begraafplaats zit als een plattegrond in zijn hoofd. De doden kent hij niet, maar hun nabestaanden wel. ‘Ik help families bij het vinden van een mooi plekje voor het graf. Of dat nu voor iemand van acht is of van tachtig. Een bijstandsmoeder of de burgemeester van Amsterdam.’

Trudy Admiraal | Foto Edwin Butter

Op deze zonnige morgen wurmt Kees zijn grote lijf achter het stuur van de golfkar om een rondleiding te geven over het prachtige gedenkpark. Twee handen als kolenschoppen rusten ontspannen op het stuurwiel. Na een paar minuten loopt het pad schuin op naar een hoger gedeelte. ‘Als ik families meeneem om een plek uit te zoeken voor het graf zeg ik wel eens voor de grap: het pad loopt hier omhoog, en dat is met de prijs ook zo.’

Voorafgaand aan elke zoektocht heeft Kees een gesprekje met de familie. ‘Dan leg ik uit hoe alles werkt. Deze begraafplaats is een Rijksmonument. Op sommige velden mogen bijvoorbeeld alleen liggende stenen komen zodat het zicht vrij blijft. Op het jongere deel van het park kun je gerust een glazen grafmonument plaatsen, maar in de buurt van de hoofdingang houden we het klassieker. Ik bekijk het ontwerp van elk grafmonument. Het moet wel netjes blijven, en volgens de regels. Ook controleer ik de naam en data die erop komen. Je moest eens weten hoe vaak de geboortedatum verkeerd op de tekening staat.’ Maar Kees gebruikt het gesprekje vooral om te luisteren. ‘Mensen vertellen graag over hun overledene. Binnen twee minuten krijg ik al ideeën over de juiste plek voor het graf. Bij burgemeester Van der Laan had ik het zelfs al eerder bedacht. Ik wist een prominente plek op een kruising. Het gevoel was er. Ik liet het de familie zien en het was gelijk goed.’

Soms kiezen mensen een plekje voor zichzelf uit. Voor later. Kees: ‘Ze kopen nu al het graf, compleet met steen. Er staat alleen nog geen naam op.’ Rijdend in de golfkar laat Kees her en der lege stenen zien. Hij stopt voor een naamloze zwarte steen waaruit een vogel op een tak is gehouwen. ‘Dit graf verkocht ik twintig jaar geleden aan een dame van toen tachtig. Ze koos zorgvuldig de tegeltjes uit voor in het grafkeldertje. Elke keer als ik hier langs rijd, denk ik aan die mevrouw. Hoe zou het met haar gaan? Ik heb haar laatst opgebeld, dat vond ze heel aardig. Ik hoop dat ze honderdtwintig wordt.’

‘Als ik hier rondrijd, zit ik alleen maar te zwaaien’

Ook bij Roma-families wordt vaak al bij leven een plekje gereserveerd. ‘Leuke mensen’, zegt Kees. ‘Ze kennen me, ik sta in hun telefoon. Als er iemand in hun familie overlijdt, bellen ze mij in plaats van de uitvaartondernemer.’ En dan begint het onderhandelingsspel. Over de ligging, de grootte van het graf en de ornamenten. Kees: ‘Dat is hun cultuur. Roma willen gezien worden, Nederlanders zijn wat calvinistischer. Gelukkig kan alles op De Nieuwe Ooster, alleen niet op elke plek want dat vindt de landschapsarchitect niet goed.’

Het is niet alleen de grafuitgifte die de opzichters regelen. Kees: ‘Op de ochtend van 4 mei begeleid ik tijdens de Dodenherdenking de stoet van de gemeente hier over de begraafplaats. De burgemeester loopt voorop. Ik heb Patijn, Cohen en Van der Laan meegemaakt en nu burgemeester Halsema.’

Kees is een bekend gezicht op De Nieuwe Ooster. Zijn uitstraling van grote, vriendelijke reus maakt dat mensen hem niet snel vergeten. ‘Zelf ken ik ook heel veel mensen, dat vind ik zo mooi van dit werk. Als ik hier rondrijd, zit ik alleen maar te zwaaien.’

Op het pad langs vak 72 wandelt een echtpaar. De gezichten klaren op als ze Kees zien. Hij maakt onmiddellijk een praatje. Even later: ‘Deze mensen hebben een jaar of acht geleden hun zoon verloren. Hij is doodgeslagen tijdens een opstootje in Amstelveen.’ De grote vriendelijke reus valt even stil. ‘Ik ben zelf vader van vier jongens.’ Verder gaat het, langs een kinderhof. Overal staan bloeiende plantjes in bonte kleuren en hier en daar ligt speelgoed op de grafjes. ‘Kinderen, dat is altijd zo erg.’ Verderop ligt een bloemenzee met hier en daar een knuffel. Kees zet de golfkar stil. ‘Hier hebben we vorige week een meisje van dertien begraven. Ze kreeg een astma-aanval tijdens de vakantie. Ja, dan schiet ik vol als ik met de ouders praat. Ik toon mijn gevoel, het is hier de Albert Heijn niet. Ik ben net zoveel mens als ieder ander.’

______

Dit (ingekorte) verhaal is een van de interviews uit het boek Mensenwerk op de begraafplaats dat in 2019 verscheen bij het 125-jarig bestaan van De Nieuwe Ooster. In twaalf interviews laat Trudy Admiraal de mensen van De Nieuwe Ooster zien. Het boek wordt bij speciale gelegenheden cadeau gedaan aan bezoekers van de begraafplaats.