Home Eva Kwakman De kolonisatie van de Bakfietsmens

De kolonisatie van de Bakfietsmens

0

Mijn straat in Watergraafsmeer wordt bevolkt door de Bakfietsmens (Homo Bakfietsius). Op warme dagen zitten al die witte dertigers en veertigers samen op de stoep te borrelen met kaasjes en wijn, terwijl hun blonde en donkerblonde kinderen om hen heen dartelen. Meisjes in prinsessenjurkjes en jongens die allemaal Tijler heten. In hun achtertuinen spreken ze met vrienden over het importeren van Rolexhorloges en al hun huizen zien er vanbinnen vergelijkbaar uit: lichthouten vloer, witte muren, donkergrijs aanrechtblad, industriële lamp boven de eettafel, metalen rekje met foto’s aan de muur in de wc. ‘Als ik later maar nooit zo word’, zei ik eens tegen mijn toenmalige vriend, die overigens, met zijn Turkse uiterlijk, één meter negentig, grote zwarte baard en gouden ketting, altijd met argusogen werd aangekeken als hij mijn straat in liep.

Mijn drie huisgenoten en ik horen, als studenten van de leenstelselgeneratie die moeten rondkomen met nulurencontracten, bij de laatste restjes sociaaleconomische diversiteit in de straat. Dat we geen onderdeel zijn van de clan was nooit een groot probleem: er werd gewoon gegroet op straat en af en toe een babbeltje gemaakt. Koek en ei. Totdat er een langzaam proces inzette dat fataal eindigde.

Over geruime tijd verspreid werden er achtereenvolgens een fiets, een vijgenboom en een picknicktafel voor ónze ramen en voordeur gezet, aangeschaft door één of meerdere van onze bovenburen. Ze waren ons stukje bij beetje symbolisch aan het verdrijven door hun ruimte in te nemen zonder vraag en antwoord. Ondertussen hebben ze altijd gebruikgemaakt van onze aanwezigheid wanneer het hen uitkwam: wanneer hun bestelde pakketjes aangenomen moesten worden terwijl ze niet thuis waren (arme bezorgers, die geen vast loon krijgen maar betaald worden per afgeleverd pakketje. Nog zo’n groep die de dupe is van liberale arbeidscontracten) of wanneer ze last minute een oppas voor hun kinderen nodig hadden. We waren postkantoor en oppascentrale. Maar wanneer ze hun territorium wilden uitbreiden en wij daar mogelijk iets van konden vinden, bestonden we opeens niet.

Vorige week kwam dan eindelijk de klap op de vuurpijl die het kolonisatieproces compleet maakte. Uit angst dat de waarde van hun al belachelijk waardevolle huizen zou dalen, blokkeerden de buren dat onze huisbaas een vergunning kon aanvragen die nodig was om het huis aan ons, een gezelschap van meer dan twee man, te verhuren. Daardoor moeten we, na er jaren gewoond te hebben, allemaal vertrekken, want met z’n tweeën valt de huur niet op te brengen.

En nu, terwijl ik op de warme lentedagen op de stoep achter mijn laptop zit te typen, komen ze langsfietsen en -wandelen en glimlachen ze schijnheilig naar me. Ze roepen een korte en ongemakkelijke ‘Hoi!’, tevergeefs hopend dat ze kunnen doorbreken wat er in de lucht hangt. Om ons te ontwijken, proberen ze te voorkomen dat hun pakketjes bij ons terechtkomen, maar dat lukt niet altijd. Nerveus, opvallend vriendelijk en ons overdreven bedankend staan ze dan voor de deur om ze op te halen. ‘Sorry sorry, ik was net te laat! Super bedankt.’

Zouden ze zich de ware omvang van hun acties beseffen? Door het liberale beleid van onze overheid, de exploderende huur- en huizenprijzen en al helemaal door de huidige economische- en algehele crisis, leven we een onzeker bestaan. De schappelijke huurprijs die we betaalden doordat onze huisbaas niet op winst uit is (de wonderen zijn de wereld nog niet uit), was een van de weinige zekerheden die ik en mijn huisgenoten nog hadden. Dat de buren te midden van deze situatie minder de neiging hebben om ons daarin te beschermen dan om hun eigen hachje te redden, laat zien dat het individualisme van dat liberale beleid tot hun botten is doorgedrongen.

Wanneer we vertrokken zijn, wordt het huis verkocht aan een welgestelde, misschien wel aan een gezin dat een willekeurige voorbijganger niet zou kunnen onderscheiden van de andere gezinnen in de straat. Zullen ze, wanneer dat moment is aangebroken, tevreden om zich heen kijken en constateren dat hun eenheidsworst compleet is? Of zullen ze ’s nachts wakker liggen met een schuldgevoel en zich afvragen waar wij beland zijn en of we het wel redden? Ik hoop het laatste.