Huis De Pinto viert in het weekend van vrijdag tot en met 28 september het 50-jarig bestaan.  Sinds er culturele en literaire activiteiten worden georganiseerd heet het Huis De Pinto, al spreekt de volksmond nog van Pintohuis, begrijpelijk. Hans van Lent, historicus, Pinto-vrijwilliger en buurtbewoner, houdt al heel lang de geschiedenis van het pand en de familie De Pinto bij. Hier zijn tweede en laatste verhaal over een rumoerige tijd waarin het huis werd behouden.

Hans van Lent

Hoeveel plekken zouden er in Amsterdam zijn waar je – als je goed kijkt – kunt zien welk beleid de gemeente aan het uitvoeren was en daar blijkbaar plotseling mee gestopt is. Zo’n plek is de vaste brug die de verbinding vormt tussen de Jodenbreestraat en de Sint Antoniesbreestraat, over de Antoniessluis heen, gebouwd in 1968–1969. Als je richting Centraal Station rijdt, zie je dat het rechterdeel van de brug zeker vijftien meter te breed is uitgevallen en dat de brug opbotst tegen een rijtje huizen. Wat is hier aan de hand? De oplossing is te vinden op het merkwaardige monument De Grenspaal, dat tussen het fietspad en de weg te vinden is. Op de sokkel staat het opschrift: “Tot hier verdween het oude stadspatroon, van hier begon de stadsvernieuwing in de buurt.” Ter herinnering werd in 1986 dit gedenkteken opgericht. Beeldhouwer Hans ’t Mannetje heeft het gemaakt als slotstuk van de herbouw van de Nieuwmarktbuurt.

Gemeente aan zet – monumentenorganisaties in de verdediging
Aan het begin van de Tweede Wereldoorlog was ongeveer 40 procent van de bewoners van de Nieuwmarktbuurt Joods, voor heel Amsterdam was dat percentage 11 procent . De Joodse inwoners zijn in de loop van de oorlog uit hun huizen gehaald en bijeengedreven, veelal op de Nieuwmarkt achter een afrastering om de Waag. Zij werden afgevoerd naar de concentratiekampen en vermoord. In de hongerwinter 1944-1945 zijn er door de bevolking zo’n 400 woningen gesloopt om aan brandhout te komen.

Na de oorlog kwam geen herstel van de woningvoorraad. De gemeente had andere plannen met de buurt. In het kader van de Wederopbouwwet van 1950 kwam er geld vrij uit Den Haag om weer te bouwen. In 1953 presenteerden B en W een uitgewerkt plan in de gemeenteraad. Daarin betoogden de bestuurders dat de buurt er slecht bijstond. Bovendien zou er veel veranderen door de geplande IJ-tunnel naar Noord via de Valkenburgerstraat in de oude Jodenbuurt. Er werd een flinke groei van het autoverkeer verwacht. Daarom stelden ze een vierbaansweg richting Centraal Station voor in het verlengde van de Wibautstraat, de Weesperstraat en de Jodenbreestraat. Langs deze straten moest ook ruimte gemaakt worden voor kantoren, bedrijfsgebouwen en hotels tot aan de Prins Hendrikkade. Een trambaan zou het geheel afronden.

Renovatie van het Huis de Pinto

Op dat moment was er nog geen Monumentenwet waarop een beroep gedaan kon worden, maar er bestonden wel vier organisaties die zich bezighielden met de historische binnenstad van Amsterdam. Het Genootschap Amstelodamum, de Bond Heemschut, de Vereniging Hendrick de Keyzer en het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap maakten gezamenlijk bezwaar tegen de noodzakelijke sloop van de Armeense Kerk en het pakhuis Schollenburg aan de Krom Boomssloot en Huis De Pinto aan de Sint Antoniesbreestraat en tegen de zware aantasting van het stadsschoon van de buurt. De gemeenteraad wees de bezwaren af en vond de modernisering van de binnenstad veel belangrijker. Aan het beleid werd vastgehouden; het plan moest in zijn geheel doorgaan. Ook de werkgelegenheid telde. Maar blijkbaar hadden de voorbereidingen nog veel tijd nodig. Pas vanaf 1965 startten de onteigeningen en de sloop in de Nieuwmarktbuurt.

Monumentenorganisaties bereiken het grote publiek
Inmiddels ontstond er in Amsterdam meer ongerustheid over de plannen van de gemeente. In 1954 lekte het plan-Kaasjager uit en stonden de kranten bol van de berichten over deze commissaris van de verkeerspolitie die door de burgemeester om advies was gevraagd over de verkeersproblemen in Amsterdam. Het plan bestond voornamelijk uit dempen van veel grachten, zelfs de meest monumentale, en doorbraken met sloop van het bestaande stratenpatroon van de binnenstad. Het bleef bij papier. Maar vervolgens gaf de gemeente in 1961 wel toestemming aan de Nederlandse Bank om een nieuw hoofdkwartier te bouwen op het Frederiksplein, waarbij een toren voorzien was van 66 meter hoogte, terwijl de hoogtenorm in Amsterdam 25 meter was.

‘Teach-in’ tegen het gemeentelijk beleid

In 1966 werd duidelijk dat de ABN in de Vijzelstraat een tweede bankgebouw wilde neerzetten van staal en glas in modernistische stijl. Dat leidde tot groot protest onder de leus ‘Ban De Bank’; uiteraard van de monumentenorganisaties, maar ook Provo, dat in 1966 een zetel in de gemeenteraad had veroverd. Als antikapitalistische verzamelpunt speelde het nu een flinke rol. Een ‘teach-in’ werd georganiseerd tegen het gemeentelijk beleid in de binnenstad. Jong en oud hadden geen goed woord over voor de gemeente, maar de bouw ging wel door, zij het in iets afgeslankte vorm.

Mijnssen en Brinkgreve
In 1967 namen twee Heemschutbestuurders, Frans Mijnssen en Geurt Brinkgreve, het initiatief tot de oprichting van een breed opgezette ‘Werkgroep Amsterdam 1975’ met het oog op het jubileumjaar 1975 waarin het 700-jarig bestaan van Amsterdam gevierd zou worden. Onder de titel Amsterdaad ’75 kwam er in de grote dagbladen een paginagrote advertentie om de burgers te vragen om via het insturen van een knipbon steun te betuigen aan het behoud van de Amsterdamse binnenstad. In een week leidde dit tot maar liefst 114.000 positieve reacties. Hierdoor gesterkt stuurde de werkgroep opnieuw een adres aan de gemeenteraad om aan te dringen op herziening van de Wederopbouwplannen van 1953 en het sloopwerk in de Nieuwmarktbuurt te staken.

In een week maar liefst 114.000 positieve reacties

De wethouder van Publieke Werken was onder de indruk en besloot de sloop voorlopig stil te leggen. Dat gaf Geurt Brinkgreve de ruimte om te gaan werken aan de redding van Huis De Pinto. De gemeente had het al onteigend, maar taaie onderhandelingen kwamen op gang. Er werden alternatieven voor het oorspronkelijke plan ontwikkeld, zo ook voor het hele blok waar Huis De Pinto deel van uit maakte. Daarvoor was het nodig dat de beoogde vierbaansweg niet doorgezet zou worden, maar zover was het nog lang niet.

De oostlijn van de metro
Intussen hadden de ambtenaren van de dienst Publieke Werken na jaren onderzoek al plannen ontwikkeld voor de aanleg van een metro die onder de route van de vierbaansweg gebouwd zou kunnen worden in plaats van een tramlijn bovengronds. Vooral de bouw van de nieuwe Bijlmermeer vanaf 1966 had hier gewicht in de schaal gelegd. Een rechtstreekse verbinding met het Centraal Station had een hoge prioriteit. In april 1968 stuurden B en W een voorstel aan de gemeenteraad om deze oostlijn van de stadsspoorweg als eerste te voltooien. De andere drie lijnen zouden daarna aangelegd gaan worden. In mei 1968 nam de gemeenteraad met een grote meerderheid een positief besluit. Deze extra eis legde wel grote druk op de opdracht die de gemeente in september 1969 na lang aarzelen gaf aan de drie architecten Aldo van Eyck, Herman Herzberger en Dick Apon om ieder een nieuw ontwerp te maken voor de Nieuwmarktbuurt, compleet met snelweg, metro en een paar grote parkeergarages.

In oktober 1970 bleek dat de architecten wel hun plan hadden gemaakt, maar dat ze tot de conclusie waren gekomen dat de benodigde doorbraken de binnenstad kapotmaakten. Ze gaven de opdracht terug. Opnieuw was er een patstelling en het slopen werd hervat. Halverwege 1970 trad de nieuw opgerichte Aktiegroep Nieuwmarkt voor het eerst naar buiten bij een buurtvergadering in de Mozes en Aaronkerk, samen met het wijkcentrum

D’Oude stad waar de bekende provo Luud Schimmelpennink voorzitter van was geworden. Aktiegroep Nieuwmarkt was een hechte groep krakers met anarchistische overtuigingen die zich richtte op acties tegen de sloop in de Nieuwmarktbuurt. De groep organiseerde nieuwe kraakacties waar woningen verlaten werden, knapte ze op en stelde als eis dat je als kraker tot het bittere eind zou blijven. Het was een zeer veelzijdige groep die ook voorlichtings- en discussievergaderingen bijeenriep, en ook hun standpunten aan de gemeente lieten weten.

Acties tegen de sloop in de Nieuwmarktbuurt

Actievoerders
Ze ontplooiden met een paar honderd mannen en vrouwen een scala van activiteiten zowel intern als extern. Actiebladen, affiches, demonstraties organiseren, maar ook rapporten publiceren over alternatieven voor de metro en het metrotracé. De gezichten naar buiten waren met name Tjebbe van Tijen en Auke Bijlsma. Met de buurtbewoners werd ook contact opgebouwd door bij de buurtwinkels te kopen en het organiseren van tentoonstellingen en buurtfeesten.

De verhouding met de Amsterdamse bestuurders was uitgesproken slecht. Zij moesten niets van de krakers hebben. Bij de gemeenteraadsleden vond men meer gehoor. Toch was het met één stem meerderheid wegstemmen van het plan voor de vierbaansweg op 5 januari 1972 een blijde verrassing en werd het uitbundig gevierd, maar de metrobouw ging gestaag door. Op 7 juni 1973 werd de steun voor het afbouwen van de oostlijn nogmaals bevestigd, maar tegelijk sprak men zich positief uit over het herstel van de Nieuwmarkt als woonbuurt met zoveel mogelijk behoud van de oude rooilijnen.

1975 en daarna
De gebeurtenissen in 1975 zouden als ironie van de geschiedenis kunnen worden opgevat. Enerzijds de grote ontruimingen en de snelle sloop van de kraakpanden op het metrotracé door de Nieuwmarktbuurt die in enkele voorjaarsdagen. Anderzijds was er de feestelijke opening van het gerestaureerde Huis De Pinto op 22 augustus. Voor de gemeente was het een zwaar bevochten overwinning, omdat alle ontruimingen met veel geweld van beide kanten gepaard waren gegaan. De kraakpanden waren voor het eerst tot ware vestingen omgebouwd. Door solidariteitsdemonstraties van jongeren uit de hele stad waren er rond de panden honderden demonstranten op de been die soms urenlang de strijd aanbonden met de politie in de omgeving. De Mobiele Eenheid, die uit honderden gewapende politieagenten bestond, voerde verbeten gevechten uit om de omsingelde, ontruimde panden waar zo snel mogelijk slopers aan de slag gingen. Waterkanonnen en traangas werden volop ingezet, maar ook werden overal stenen gegooid. Er waren veel arrestaties en veel gewonden.

Als we de balans opmaken kunnen we vaststellen dat het voor de gemeente een pyrrusoverwinning is geweest. De oostlijn naar het Centraal Station werd voltooid in 1980, maar al in 1975 zelf besloot de gemeenteraad dat het metronet in Amsterdam verder niet volgens plan afgebouwd zou worden. De snelweg door de buurt met bijbehorende commerciële gebouwen is er niet gekomen. Het oude stratenpatroon is behouden gebleven en benut voor sociale woningbouw in samenspraak met de bewoners. Het Bouwen voor de Buurt is vanaf 1978 met Schaefer als wethouder het uitgangspunt geworden voor alle andere stadsvernieuwingsgebieden.

Ommekeer
De strijd om de Nieuwmarktbuurt kan een ommekeer genoemd worden in het denken over wonen in de binnenstad. Huis De Pinto, 17e-eeuws monumentaal stadspaleis van de Sefardisch-Joodse familie De Pinto, werd gered. Bovendien was het een wijs besluit om vanaf 1975 Huis De Pinto een bestemming te geven als filiaal van de Openbare Leeszaal en Bibliotheek en na het vertrek van de OBA in 2012 als sociaal-cultureel buurtcentrum, gebaseerd op de inzet van vrijwilligers. Wie kunnen wij hier dankbaar voor zijn? Geurt Brinkgreve ongetwijfeld, maar ook alle andere taaie actievoerders in de buurt, provo’s, krakers, heemschutters en monumentenzorgers gezamenlijk.

Check www.huisdepinto.nl
Lees ook Huis De Pinto in de Sint Antoniesbreestraat en de familie die er woonde